GoejeSoep

xxx Op z'n Mokums

Ik heb mijn website Goeje soep genoemd omdat dat in plat Amsterdams Alles goed betekent. Amsterdam is dit jaar het thema op mijn school.

Bij de opening van het niewe schooljaar werd het bekende sprookje 'de Wolf en de zeven geitjes' voorgedragen, in plat Amsterdams. Hilarisch!
Daar kwam die uitdrukking Goeje soep dus in voor. En die bleef hangen...

Hieronder kun je het zelf lezen, op se Mokums.
Probeer het hardop, voor je vrienden.

Woorden die je niet kent kun je opzoeken in de woordenlijst.

De Wollef en de seve geitjes

Der wazze es seve geitjes...

Op een dag mos de auwe geit naar de mart om der jajem te ferpatse en se sei tege de geitjes:
"Jonges, moe mot effe weg, nau geen rottigheidjes uithale en as de Wollef komp, zeg dan dattie dood ken falle en nie ope doen!"
"Das hartstikke krent," seije de geitjes.
"Nau tot in de pruimetijd en de massel hoor" sei de auwe.

Toen de auwe pleite was, gonge de geitjes kassie ses speele en alles was kits tottat er an de deur wies gerammeld...
"Daar heppie het gedonder in de glase al!" riepe de geitjes.
"Wat mot je?" vroeg er een.
"Maak jij die deur es effe ope, knaapie," sei de Wollef, die buiten sting en de boel wau vernaggele...
"Je suster," seije de geitjes, die hoorde dattet de Wollef was.
"We kijke wel mooi uit! Laser maar op hufter, neem je tante in de feiling."
Affijn, de Wollef drukte se porem, wantie foelde ook wel, dat de geitjes in de smiese hadde dattet een fuil bakkie was...

Effe later kwammie terug en nau sei ie met een frauwestem dasse de deur ope moste make, want de tent sat nog steeds op slot. De geitjes doche dat alles jofel was, maar eentje was er tog so link om de Wollef te vrage se poot te late sien, dus drukte ie se snor. Nau mossie wat anders fersinne ennie douwde se jatte in 't meel, om se wit te late schijne. Toen de geitjes weer vroege om se grijpstuivers te late sien, doche se dat alles kits was en se seije:
"Goeje soep jongens, ope die tent."
De wollef stormde binne en sei:
"Nou heppik jullie an je staart, vuile stinkerts."
De geitjes schrokke hun eige het lijpe laseres! De wollef sloeg se hallef lens en frat se allemaal op. Alleen 't sevende geitje was zo link om in de klok te duike en bleef daar sitte tottat de Wollef pleite was.

Affijn,'s avonds kwam de auwe hatstikke in de lierum thuis en 't kleine geitje sei dat die rottige Wollef de andere ses in se muil hat gedauwt.
"Soon fies fuil stuk schorem!" riep de auwe geit, die er meteen de gloeiend de schurft in hat gekrege.
"Die rottigheid sal ik die goser es effe aflere!" De auwe nam een ent haut en gong met het geitje naar 't hol van de Wollef, die daar met se folle pens voor pampus op se flooienbunker lei te meure.
"Heb jij me kindere opgevrete, loeder?!" De Wollef wier wakker en schrok se eige een rotje.
"Bejje mesjogge? Je maakt een gebbetje seker?" sei die gauw: "Ik heb geen ene poot buite me hol geset."
"Hij liegt tattie barst," riep het geitje, "Ik heb 't sellef met me eige ooge gesien."

Nau, die auwe sprong so naar de Wollef toe en sloeg um met een ontiegelijke hengst se hele rot harsens in. De Wollef lag meteen kassie weine en was in een mum van tijd de pijp uit.
De auwe jatte se neifie en snee so de wollef se pens ope. De ses geitjes spronge der ontiegelijk rap uit en riepe in koor:
"Jottem! Daar benne we weer!"
"Jullie kenne van geluk spreke," sei de ouwe: "Daar wasse jullie sowat de pineut geweest."
Om kort te gaan, die auwe stauwde de bast van de Wollef fol met keie en se laserde um so met se toges de majum in. Affijn, de seve geitjes leefte nog lang en gelukkeg.